Ik getuig, o mijn God, dat Gij mij hebt geschapen om U te kennen en te aanbidden. Ik betuig op dit ogenblik mijn machteloosheid en Uw macht, mijn armoede en Uw rijkdom. Er is geen ander God dan Gij, de Helper in nood, de Bij-zich-bestaande.

Bahá’u’lláh

أَشْهَدُ يا إِلهِي بِأَنَّكَ خَلَقْتَنِيْ لِعِرْفانِكَ وَعِبادَتِكَ أَشْهَدُ فِي هذا الْحِيْنِ بِعَجْزِيْ وَقُوَّتِكَ وَضَعْفِيْ وَاقْتِدارِكَ وَفَقْرِيْ وَغَنائِكَ لا إِلهَ إِلاَّ أَنْتَ الْمُهَيْمِنُ الْقَيُّومُ

حضرة بهاءالله

Bahá’ís zeggen elke dag een van de drie verplichte gebeden die door Bahá’u’lláh zijn geopenbaard:

  • ofwel een kort gebed bestaande uit een paar korte regels, dat wordt gezegd tussen het middaguur en zonsondergang;
  • een middellang verplicht gebed bestaande uit verschillende verzen, dat in de ochtend, tijdens het middaguur of in de avond wordt gezegd;
  • of een lang gebed, dat eens in de vierentwintig uur wordt gezegd.

Deze dagelijkse verplichte gebeden en enkele andere speciale gebeden, zoals het Genezingsgebed en de Tafel van Aḥmad, zijn door Bahá’u’lláh met bijzondere kracht en betekenis bekleed en moeten daarom als zodanig worden aanvaard en door de gelovigen worden gereciteerd met onvoorwaardelijk geloof en vertrouwen, opdat zij steeds inniger in God zullen opgaan en zich steeds meer vereenzelvigen met Zijn wetten en voorschriften.

— Uit een brief geschreven namens Shoghi Effendi